Vrijdag, 19 september 2014


Combilessen (Les 24): Boten, meeuwen, mosselmannen…mosselman

Doel van de les: Spelen, dansen, zingen, verbeeldingskracht stimuleren, leren omgaan met dingen die je moeilijk vindt, samen een verhaal maken.

De vierde les. Terwijl een kind staat te trappelen om te beginnen en een ander op zich laat wachten, zet ik de ansichtkaarten van de vorige week tegen de muur aan de raamkant. Als we eindelijk in ons kringetje zitten zingen we samen: ‘We gaan weer beginnen, is iedereen binnen?’, ‘Goedemiddag, kriebel kriebel kriebel’, en ons namenliedje ‘Ik ben … ‘Hallo …!’ ‘Kom erbij!’. Het zingen gaat vandaag soms een beetje aarzelend. De drie tekeningen met de gitaar, het lachende dansende kind en de klok op vijfuur hangen als altijd aan de muur.

Een kind kijkt naar de klok en vraagt wanneer we gaan stoppen. Ik zeg dat we net begonnen zijn en wijs naar de klok. ‘Wat staat er op die schilderijen’,  zeg ik en ik wijs naar de kaarten. ‘Het zijn geen schilderijen’,  verbetert een kind me, ‘Als je de schilderijen wilt zien, moet je naar het echte museum gaan’. ‘Dat zeg je goed’, prijs ik het kind, ‘Dit zijn afbeeldingen van het schilderij, kaarten’. ‘Wat staat erop de ene kaart links?’, ‘Die kleine!’,  roept een kind, ‘ of de grotere’. ‘De kleine’,  zeg ik. Het andere kind steekt zijn vinger op. ‘Er staan mensen te wachten en een op z’n paard’. ‘Waarop wachten ze dan?’ vraag ik. ‘Dat ze komen en zo snel mogelijk alles kunnen verkopen’. ‘Wat komt er dan?’ ‘De boot!’, roept het kind. ‘En wat brengt die boot?’,  vraag ik. ‘V…is?’ ‘Jaaa!’ ‘O,  gaan ze vis verkopen?’ ‘Ja!’,  knikt het kind blij enthousiast. De juf snapt het.  We kijken naar de andere kaart. ‘Wat staat er op?’ ‘Spelende kinderen’, ‘ en waar spelen die kinderen mee?’ Een tak en een bootje”,  zegt het andere kind ongeduldig. ‘En lijkt dat bootje op de andere boot van de andere kaart vraag ik?’ Ja en nee. Dit bootje heeft een zeil. En die ander niet? Ja, die heeft ook een zeil. Ik vraag of ze nog weten wat we vorige week gedaan hebben. ‘Ja’,  knikken de kinderen. Een kind begint enthousiast te vertellen over dat we een boot gebouwd hebben en dat het met een doek als net achter zich aan gerend heeft als een boot in het water. En of het dat weer mag doen die boot bouwen en rennen met het doek. ‘We gaan vandaag ook andere dingen doen. Vandaag gaan we opnieuw met een boot vissen’,  zeg ik. Ik pak een klein houten vissersbootje dat ik heb mee heb genomen. We kijken samen naar het bootje. Een kind ziet de mooie details: het rode vlaggetje en een ronde stip op het achterdek, de ton waar de vis in wordt gegooid. Het wordt tijd om te varen. ‘Ja!’, ‘mag ik met het bootje?’,  vraagt een kind. ‘En ik met het doek?, vraagt het andere. Het bootje mag,  met het doek doen later iets zeg ik. Ik pak twee papieren bootjes, een voor mij en een voor het kind, maar geef het kind toch de doek omdat het verlangen daarnaar te groot is om te kunnen wachten en nu is het ondertussen ‘later’. De Braziliaanse muziek speelt. De airco staat nog aan en is met zijn constante ruis net de zee, maar de CD is niet zo goed te horen. De kinderen gaan zo op in hun spel van hoge en lage golven en zachte wiegende bootjes en sterke stormen dat ze de muziek niet horen. Ik stop het spel even. ‘Luister naar de muziek en vaar met je bootje mee, zachtjes en…’. Het gaat even goed. We gaan op de grond bij elkaar zitten. Vandaag vissen we mosselen. Ik pak mijn gitaar en zing: ‘Zeg, ken jij de mosselman, de mosselman, de mosselman. Zeg ken jij de mosselman, hij woont in Scheveningen. Samen kennen wij de mosselman, de mosselman, de mosselman’ enz. Ik pak een doosje met oesterschelpjes en leg uit dat mosselen er een beetje op lijken en doe twee schelpen op elkaar. En dat er slijmerige diertjes in de schelpen zitten die je kunt opeten en dat sommige mensen dat lekker vinden. Maar in oesters kunnen ook parels zitten vertel ik. We praten over vogels op zee die de vissersboten volgen omdat ze dan zelf niet hoeven te zoeken naar vis. Dat ze vissen van de boot proberen te pikken. Ik laat een foto zien van een meeuw, een zilvermeeuw. Een kind vertelt dat aan de Middellandse zee Italiaanse meeuwen vliegen. Iemand doet het geluid van een meeuw na.

Wat mooi denk ik, er zijn dus ook Spaanse en misschien wel Franse Middellandse zeemeeuwen. ‘En de Italiaanse meeuwen roepen in het Italiaans’,  zeg ik half vragend? Het kind knikt enthousiast. Ik geef elk kind een grote veer van een zeemeeuw. Een arm wordt nu een meeuwenvleugel. ‘Hoe doe je dat, met je vleugel vliegen?’ Een klein beetje klapperen, grote slagen – we ziten nog steeds. Een voor een gooien de kinderen de veer naar beneden. Wie kan de veer het mooist laten neerkomen? We kijken naar hoe de veren naar beneden kringelen. Kunnen de kinderen samen met hun veer naar beneden vallen ? Ik zet een meeuwenmuziekje op. De kinderen vliegen als meeuwen door het lokaal. ‘We kunnen ook een meeuw maken’,  zeg ik en ik wijs naar de twee bokskussens en matjes. ‘Ik weet het al, kijk!, ‘ roept een kind’. Het pakt een kussen en legt daar zachtjes zijn hoofd op. Het is duidelijk: de meeuwen moeten rusten. Het licht moet uit en de muziek zachter. Ineens slaat de airco af. De slapende meeuwen genieten van de stilte. De muziek is uit. Het wordt langzaam, langzaam lichter. De zon komt op, het is weer dag. De meeuwen rekken zich uit en verdwijnen. We zijn op een vissersboot met een kapitein en een stuurman. Elk met een krantenhoedje. De kapitein is moe en onderhandelt fluisterend met mij over de tijd waarop we stoppen. Ik maak met hem een neiuwe afspraak, de kapitein fleurt op. Het geluid van golven komt uit de CD-speler. ‘Wat een mooi gebubbel’,  zegt de kapitein. ‘Er is een schat’,  vertelt hij glunderend. Dat vindt de stuurman een goed idee. En hij bouwt een nieuwe mooie boot van twee stoelen en het blauwe doek en twee matjes dat zijn de strak opgemaakte bedden. Ik geef de kinderen een wit vel papier en houtskool. Ze tekenen elk hun persoonlijke schatkaart met een kruisje voor waar de schatkist ligt zodat we weten hoe we moeten varen. ‘Er is een echte schat en een nepschat’, zeg ik. Als ze hun ogen stijf dicht doen  verstop ik  het doosje met schelpjes – als de echte schat -  op de boot en de nepschat – een prop van kranten-  achter mijn gitaar die bij de piano staat. De kinderen volgen nu samen eerste de ene en dan de andere schatkaart. Ik moet met kranten de route op de schatkaart namaken op de grond. We puzzelen samen en de kinderen springen en lopen over de kranten op weg naar de schatten. De echte en de neppe. Een kind is de pechvogel, maar zit er niet mee. Het is tijd om te stoppen. ‘We ruimen alles samen op’, zing ik, de kinderen zingen mee. We stoppen met opruimen, we moeten rekken, strekken en losgooien anders klopt mijn afspraak met de kapitein niet meer. Onze armen zijn de golven van de zee terwijl we staan. Een omhoog, een omlaag. We gaan liggen in het water aan het strand en rekken ons helemaal uit tot ons kruintje, onze vingers, onze armen lang, onze benen uitgestrekt tot in de tenen en laten weer los, en nog een keer en nog een keer. We voelen de golfjes kabbelen en de kleine krabbetjes aan onze tenen knabbelen, het kriebelt lekker. We trekken onze knieën naar ons toe, slaan onze armen er omheen en brengen onze handen in de lucht en leggen ze weer neer. We komen langzaam tot zit en gaan weer liggen en gooien onze benen achter ons hoofd en proberen in een keer vanuit zit tot staan te komen. Tot volgende week! Een kind zwaait en met het andere kind ga ik nog even krantenproppen overgooien.

Wat hebben we veel meegemaakt! Er is genoeg te beleven op zee. Volgende week vliegen we verder met de zeemeeuwen…

Veel zeemeeuwen

http://www.youtube.com/watch?v=F8z5hDhJHkA

No comments yet.

Geef een reactie

:wink: :-| :-x :twisted: :) 8-O :( :roll: :-P :oops: :-o :mrgreen: :lol: :idea: :-D :evil: :cry: 8) :arrow: :-? :?: :!:


Subscribe

Subscribe to our e-mail newsletter to receive updates.

, , , , , , , , , , , , , ,